Het 29-ste verhaal

In het boek ‘Women in martial arts’ vertellen 23 vrouwen wat het betekent om een krijgskunst te beoefenen. Naar aanleiding hiervan vroeg ik me af wat het voor mij betekent om een vrouw te zijn die een krijgskunst beoefent en zowel aan mannen als vrouwen hierin les geeft.

Het boek ‘Women in the Martial Arts’ (ISBN 1-55643-136-8) is een bundeling van 23 verhalen van vrouwen die tussen de 7 en 20 jaar een krijgskunst beoefenen. De verhalen zijn zeer uiteenlopend: iemand vertelt over hoe het haar heeft geholpen om over seksueel misbruik heen te komen; een ander verhaalt wat krijgskunst voor vrouwen in een rolstoel kan betekenen; weer een ander over verschillen in lesstijl tussen mannen en vrouwen. Het gemeenschappelijke in deze verhalen is dat al deze vrouwen de moed hadden om tijdens het trainen niet langer de partner te beschul­digen als het niet liep zoals zij dat wilden en daardoor verwijdering te scheppen. Ze zagen in dat de partner niets anders weerspiegelt dan hun eigen pijn en onverteerde gebeurtenissen. Het trainen met de ander werd daardoor niet meer een gevecht met de partner, maar een ontmoeting met zichzelf en een spel met de ander. De vele uren trainen alleen en/of met de partner leken vaak eindeloos en zinloos. Uiteindelijk brachten deze uren de vrouwen bij hun kracht. Ze kunnen hun energie zo inzetten als zij dat willen; gewoon een rake klap uitdelen. Dit geeft enorme vreugde en eigenwaarde.

Ik vroeg me af wat het voor mij betekent om vrouw te zijn die een krijgskunst beoefent en aan zowel mannen als vrouwen hierin les geeft. Zo werd een volgend verhaal geboren. Ik noem het niet het 24-ste verhaal. Tussen het jaar van verschijning van het boek, 1992, en nu zijn ruim 20 jaar verstreken. Vele vrouwen zijn mij in die tijd voorgegaan en hebben hun verhaal geleefd. Ik denk bijvoorbeeld aan Laura Stone (www.welstone.nl), bij wie ik in 2004 een vijfdaagse pushing-hands training heb gedaan. Uit respect voor al deze vrouwen die mij zijn voorgegaan noem ik dit artikel: het 29-ste verhaal.

Traditie is een belangrijk woord voor mij en binnen de martiale kunsten. De traditie waaruit ik kom is een streng katholiek milieu waar de waarden en normen van vóór het Tweede Vaticaanse Concilie golden. Anders gezegd: de roerige zestiger jaren zijn aan mijn ouders voorbij gegaan. Toen ik op kamers ging, kon ik mij langzaam maar zeker van mijn ouderlijk huis losmaken. In het kader van mijn opleiding Museologie las ik het boek ‘Geschiedenis van het seksuele probleem’ van J. van Ussel (ISBN 9060090101) over de positie van vrouwen door de eeuwen heen. Ik herinner me een passage over vrouwen in de Middeleeuwen. In die tijd waren voor mannen vrouwen minder waard dan een paard. Een vrouw was vervangbaar; een paard was meestal te kostbaar om opnieuw aan te schaffen. Ik herkende me hierin. Ik was op aarde om te zorgen dat mijn toekomstige echtgenoot zou schitteren in zijn carrière en dat zijn geslachtslijn zou worden voortgezet. (Veel vrouwen zullen het boek van R. Norwood ‘Als hij maar gelukkig is: vrouwen die te veel in de liefde investeren’ kennen!)Misschien was deze bestaansgrond nog niet zo slecht, als ik mijn eigenwaarde daaraan had kunnen ontlenen. Ik voelde me echter slechts in- en verruilbaar.

Met behulp van psychosynthese (stroming binnen de humanistische psychologie) veranderde mijn zelfbeeld drastisch. Toch bleef het moeilijk om me te associëren met ‘macht’ en ‘kracht’. Telkens schoven en schuiven wolken van angst voor het in mijn kracht staan en val ik terug in een machteloze slachtofferrol. In deze rol trek ik niet alleen mezelf omlaag, maar ook mijn dierbaren. Zij willen mij namelijk redden uit mijn machteloosheid. Echter, daarmee continueren ze in feite mijn slachtofferschap. Na verloop van tijd heb ik daar genoeg van en word ik boos op de redder, die zich vervolgens machteloos voelt en daardoor slachtoffer wordt. Anja van Servellen heeft in haar boek ‘Macht van de onmacht. Hoe vrouwen omgaan met macht’ (ISBN 90 246 0110 x) dit de ‘reddersdriehoek’ genoemd. Het is een vicieuze cirkel die slechts doorbroken kan worden als één van de twee spelers verantwoording voor zichzelf neemt.

De taiji-traditie is een geheel andere traditie. Taiji is een krijgskunst, waarmee men vocht en won totdat men beschikte over vuurwapens. Taiji werd toen als krijgskunst overbodig. Op dat moment was Yang ChenFu (1883 – 1936) een grote meester in taiji. Hij bereikte dit door geen spierkracht te gebruiken. Hij ontspande zijn gehele lichaam tot op het bot. Door op deze wijze taiji te beoefenen was het niet alleen goed als krijgskunst, maar ook om je gezondheid te behouden. Hij ging dit laatste promoten. Hij raadde elke student aan ook weer een student te hebben. Hierdoor is taiji en met name de yang-stijl zich uiteindelijk over de hele wereld gaan verspreiden.

Binnen de taiji hebben zich naast de yang-school ook andere scholen ontwikkeld. Bij het Buqi-instituut (www.buqi.net) waar ik train en me steeds verder in taiji37 bekwaam, ligt het accent op het ontwikkelen van kracht die je kunt gebruiken om jezelf te verdedigen en om jezelf en anderen te helen. Deze kracht ontstaat uit een samenspel van een actief onderste energiecentrum en een lege geest. Het leren leeg maken van mijn geest was juist door mijn katholieke opvoeding goed realiseerbaar. Van jongs af aan ben ik gewend aan stille tijd. In de stilte ben ik en bloei ik open. Dit vormde mijn anker om het moeizame proces van het ontdekken en ontwikkelen van mijn onderste energiecentrum aan te gaan.

Voor mij is mijn onderste energiecentrum lange tijd een theoretisch bestaande grootheid geweest. Ik zal in het vervolg over ‘zij’ en ‘haar’ spreken als ik het over mijn onderste energiecentrum heb om op die manier recht te doen aan de intieme band die ik nu voel en die mij vitaliteit geeft. Ik wist na verloop van tijd wel dat zij tijdens het trainen werkte, omdat ik warmte en vibratie in mijn lichaam voelde. Na het trainen verdween de warmte al weer spoedig. Gelei­delijk leerde ik hoe ik haar zelf in gang kon zetten. Uiteindelijk veranderde mijn houding. Ik leerde mijn bekken onder me te houden en mijn rug te rechten. Mijn onderbuik werd nu ook warm en bleef warm. Letterlijk kreeg ik bodem onder me waarin ik kan rusten. Pas op dat moment werd mijn geest echt helder. Ik hoefde niet langer meer door een sluier van gedachten en onrust heen te kijken in de uitdij­ende wereld van een lege geest. Met een rechte rug kan ik onbevangen de wereld inkijken en keuzes maken die mij en het leven ten goede komen. Ik kan genieten van de gevolgen van mijn keuzes en als het eens een keer verkeerd uitpakt dan kan ik dat dragen zonder dat het als een loden last op mijn schouders drukt. Macht komt nu voort uit innerlijke kracht. Het is niet de macht van onderdrukking van anderen. Het is macht over mijn eigen leven die uitstraalt naar anderen en hen uitnodigt om ook groter te worden dan wie ze nu zijn.

Het samenspel tussen een actief onderste energiecentrum en een lege geest geeft je kracht. In de parner­vormen van taiji, tuishou (duwende handen) en sanshou (taijivorm met zijn tweeën), oefen je deze kracht samen met een ander. In de partnervorm gaat het om samenspel van de energie tussen de ene en de andere partner. Kun je zowel meegeven als teruggeven? Vrouwen durven vaak niet in een doelgerichte actie te komen waardoor de ander niet kan teruggeven. Voor veel mannen is het moeilijk om hun fysieke kracht op te geven en zich aan hun energie toe te vertrouwen. Ik vermoed dat zij zich dan kwetsbaarder voelen. Voor zowel mannen als vrouwen is het een uitdaging om te ontdekken dat daadwerkelijke kracht in zachtheid gelegen is en niet, zoals ik vele jaren geleefd heb, in verharding en verkramping. In die zachtheid wordt de krijgskunst een spel en kun je daarvan met elkaar genieten.

Geplaatst door Helen IJsselmuiden op 30 maart 2016