Geven en nemen

Ik reik jou de hand. Jij steekt je hand naar mij uit. We schudden elkaar de hand. We ontmoeten elkaar.

In dit simpele, alledaagse voorbeeld kunnen we heel veel ontdekken over geven en nemen.

Vol-ledig, duwende handen, tuishou

Wanneer ik mijn hand naar een ander uitreik, dan loop ik het risico dat de ander mijn hand afwijst of mijn hand te hard vastgrijpt. Kortom: ik stel me kwetsbaar op. In de wijze waarop ik mijn hand aanbied, toon ik de ander mezelf. Het kan een ferme hand zijn, een slappe hand, een nauwelijks uitgestoken hand of juist tegengesteld ik pak gewoon de hand van de ander beet. Behalve in het laatste geval geef ik én tegelijk ben ik bereid de reactie van de ander te ontvangen.

De ander geeft mij zijn hand. Hij heeft mijn gebaar aanvaard. Hoe hij mij de hand geeft, laat zien hoe hij in deze ontmoeting staat. Ik voel of hij aanwezig is in zijn beantwoording, of hij mij ruimte laat of dat het louter een formaliteit is. In zijn aannemen van mijn hand ligt tegelijk een geven.

Als wij beiden het schudden van elkaars handen met aandacht doen, dan is dit het begin van een ont-moeting. Deze ontmoeting verrijkt ons beiden, zolang we elk op onze eigen benen blijven staan en toch voortdurend naar elkaar uitreiken. Het uitreiken kan met al onze zintuigen. Tastend kunnen we ervaren hoe het gemoed van de ander door onze ontmoeting wordt bewogen. De adem toont de beroering in onszelf. Met onze oren kunnen we horen wat onuitgesproken is gebleven. We kunnen proeven wat er gezegd wordt en ruiken wat het in ieder oproept. We zien de uitdrukking van ons samenzijn op elkaars gezichten weerspiegeld.

De bewegingen ‘an’ en ‘peng’ in de partnervorm van taiji, tuishou of duwende handen genaamd, komen overeen met geven en nemen. Met ‘an’ geef ik mijn energie aan de ander. Ik duw en adem uit. Het duwen is niet met fysieke kracht, maar als een energiegolf die voorwaarts gaat. In een vers dat toegeschreven is aan een zekere Tan Mengxian is het als volgt verwoord:

‘Wanneer we deze techniek gebruiken moet het vloeiend zijn als water, maar in het zachte ligt een grote kracht verscholen, waar tegen niets is opgewassen. Wanneer het water naar boven borrelt, neemt het langzaam de hele ruimte in. Wanneer het water naar beneden stroomt, dan dondert het een holle ruimte in.’

Ik vul dus met ‘an’ de ruimte die de ander mij geeft. Met ‘peng’ schep ik die ruimte. Tan Mengxian omschrijft het als volgt:

‘peng is als water dat een varend schip kan dragen.’

Met ‘peng’ neem je de energie of kracht die de ander je met ‘an’ schenkt op. Je ademt in. Als een ballon die wordt ingedrukt en vervolgens losgelaten, zet je de energie van de ander om in een expansieve beweging die naar alle kanten uitdijt. Je lichaam vult zich met adem. In het spel met een oefenmaatje is het kennen en beheersen van beide krachten ‘peng’ en ‘an’ essentieel, net als in het leven. Je kunt niet alleen maar nemen evenmin kun je alleen maar geven. Het leven is een geven en nemen.

Geplaatst door Helen IJsselmuiden op 27 juli 2015