Groeien tot voor bij jouw einder

Lente

In mei waren we getuige van onstuimige groei in de natuur; zelfs door het asfalt heen kwamen paardenbloemen omhoog. Omdat wij kinderen van moeder natuur zijn, mogen ook wij groeien ondanks en vaak ook dankzij onze omstandigheden.

Ik houd erg van tuinieren. Wat mij opvalt is het onbegrensd aantal manieren waarop (on)kruid zich weet voort te planten en waardoor uitroeien schier onmogelijk is. Neem kleefkruid: het plakt overal aan vast en overwoekert zo andere planten. Het maakt zaadbolletjes die in de vacht van mijn poezen blijven zitten en zo elders worden uitgezaaid. Of het zevenblad dat een wortelstelsel vormt, waarmee het andere planten verstikt. Dit is groeien als overlevingsdrang. Het is niet alleen het recht van de sterkste, maar ook het recht van de creatiefste. Ik denk hierbij aan de reiger die met uitsterven werd bedreigd en zich nu aan de stad heeft aangepast en best een maaltje van MacDonalds lust.

Kom ik terug bij het tuinieren. In een tuin laat je bepaalde planten wel groeien en andere niet. Je hebt een plan met de tuin. De planten, die je laat groeien, snoei je en/of geef je mest, zodat ze nog beter tot hun recht kunnen komen. Op een gegeven moment merk je dat je oorspronkelijke plan niet meer aan je wensen voldoet. Je gaat de tuin veranderen naar het vernieuwde plan dat aan jouw huidige wensen voldoet.

Dit beeld kunnen we ook toepassen op ons eigen leven. Je groeit naar het idee dat jij over jouw leven gevormd hebt. De einder is goed, zolang je die telkens opnieuw formuleert. Je verschuift je einder steeds weer. Laat je dit achterwege, dan wordt jouw einder een grens en een obstakel dat jouw groei belemmert. De einder zet jou dan vast in starre patronen die je geen bewegingsvrijheid meer geven. Soms lijken de beperkingen reëel:
ik heb een handicap, dus kan ik niet …
ik heb opgroeiende kinderen, dus ik kan niet …
Vaak gaat hierachter angst schuil, omdat verschuiven van je horizon een loslaten van je zekerheden vraagt. Je hebt lef nodig om te zeggen ‘zo was het en nu verlang ik wat anders’. Je spreekt daarmee jezelf niet tegen. Integendeel. Je geeft ruimte aan het oneindige potentieel dat je in je hebt.

In het klein kom je dit ook tegen in de beoefening van taiji of qigong. Ik neem de seizoenen als leidraad. In de lente bot alles uit. Tijdens de beoefening ontdek je steeds nieuwe dingen over jezelf. De oefeningen gaan steeds beter. Je begrijpt steeds meer wat de bedoeling is. In de zomer bloeit alles onbekommerd. Je doet je oefening gewoon omdat het fijn is en je ervan geniet. In de nazomer oogsten we wat we gezaaid hebben. Je ziet de vooruitgang die je geboekt hebt en ook dat waar nog aan gewerkt kan worden. In de herfst laten de bomen hun bladeren vallen en komen in hun naakt­heid te staan. Je gaat steeds meer beleven hoe taiji en qigong voor jou is; steeds minder ga je proberen aan een ideaalplaatje te vol­doen. Dan wordt het winter. Alle sappen trekken zich terug in de wortels. Deze fase is meestal de lastigste en voor velen de reden om te stoppen. Qigong en taiji zijn tot gewoonte of sleur verworden. Wat word je er wijzer van?

Laat je reactie achter

Pagina printen